shadow

De huisjes van het armbestuur

Sedert onheuglijke tijden bezat de Heilige Geesttafel (H.G.) van Borsbeek, de toenmalige liefdadigheidsinstelling, een huis met hof, niet ver van de kerk. De rekening van 1630 vermeldt een uitgave voor het uitgraven van de gracht “van en voor het H.G.-huis”. Het huis bestond uit drie kamers waarvan de pastoor Sacharius Janssens er twee huurde; hij betaalde er 8 Brabantse gulden voor in 1612. De derde kamer werd gebruikt door de koster-schoolmeester die er ook “school hielt[1]. In 1623 werd een kamer bewoond door Henricus De Kuyper; hij betaalde er 3 Br. gulden voor.[2]

Een huis met drie kamers, wat moeten we ons daar bij voorstellen? Waarschijnlijk bedoelde men hiermee een huis bewoond door drie families, want er moeten toch meer vertrekken geweest zijn dan drie. Een pastoor doet toch niet zelf zijn huishouden! In de volkstellingen van de 16de en 17de eeuw had de pastoor trouwens altijd een dienstmeid die bij hem inwoonde; dus dat zijn al minimum twee slaapkamers.

Tot op het einde van de 19de eeuw werden de beroepen van koster en schoolmeester in de meeste kleine plattelandsgemeenten beoefend door één en dezelfde persoon. Hij gaf onderricht aan de kinderen in zijn eigen woonst, want er waren toen geen scholen. Het Hollands Bestuur (1815-1830) maakte daar een einde aan. De koster-onderwijzer had normaal ook een gezin en dan nog “school houden” in dezelfde kamer? Veel kin-deren zullen er wel niet geweest zijn, want Borsbeek had in die periode slechts 150 inwoners boven de 12 jaar.[3]

In 1759 werd op verzoek van Frans Louis de Robiano, Heer van Borsbeek, een kadastraal plan der gemeenten opgemaakt. Elk perceel, groot of klein, werd opgemeten en in kaart gebracht.[4] Het meetboek vermeldt elke eigenaar, de gebruiker en de mutaties tot 1791.[5]

Op folio 72, nr. 195 uit dit meetboek worden volgende zaken vermeld:

– “Den Armen van Borsbeek” (de H.G. werd gewoonlijk “Den Armen” genoemd): een huis met hof in ’t dorp, grootte: ongeveer 24 roeden. [6]

Nr. 196 vermeldt een stuk land van 279 roeden. Folio 15 nr. 79 noemt een . stuk land samen met de kerk van 61 roeden.

We kennen nu de juiste ligging en oppervlakte van huis en hof. De gracht waarvan hierboven sprake is, liep dus vanuit het dorp naar de Koude Beek.

Zoals we reeds vroeger vermeldden, werd in 1795 de H.G. afgeschaft en haar eigendommen overgedragen aan de nieuw opgerichte Burelen van Weldadigheid (B.v.W.) of Armbestuur. De oudste documenten waarover we beschikken zijn de rekeningen van 1795 tot 1801. Rekeningen bevatten de inkomsten en uitgaven van deze instellingen, dus ook de opbrengst van ‘het huis’. Merk op dat er in de rekeningen nu wel sprake is van drie huisjes in plaats van drie kamers en dat zowel de bewoners als de huurprijs worden vermeld. Het waren soms alleenstaande personen, maar meestal gezinnen met drie of meer kinderen. Velen van hen waren geheel of gedeeltelijk steuntrekkend, zij betaalden geen huishuur of de huur werd gedeeltelijk kwijt gescholden. Het was ook mogelijk dat de huurder een beroep uitoefende zoals kleermaker of naaister en de huur betaalde met geleverde arbeid.

De rekening van 1795 vermeldt als huurders:

Jan Peeters, huurprijs: 19 Brabantse gulden

Jeanne Van den Audenaerde, huurprijs 10 Br. gulden

Melchior Bastijns, huurprijs 7 Br. gulden

In het huis van Melchior Bastijns werd een kamer verhuurd aan Theresia Van Heurck aan 2,5 gulden. Theresia was een alleenstaande oude vrouw die volledig ten laste was van het Armbestuur.

In de rekeningen van 1796 en 1997 bleven de huurders en de huurprijzen hetzelfde. In 1798 werd Jan Peeters vervangen door de kinderen Peeters, en werd Theresia Van Heurck niet meer vermeld, net zoals in 1799 en 1800.

Ingevolge een Keizerlijk Decreet van 12 augustus 1807 werd door de ‘Préfet du Département des Deux Nethes’ de notaris Raeymaekers uit Wilrijk aangesteld om de huisjes openbaar te verhuren. Dit gebeurde in de herberg ‘De Valk’, destijds uitgebaat door Petrus De Vos. Er werden strikte huurvoorwaarden opgelegd. De huurtermijn werd vastgelegd op zes jaar. De jaarlijkse vervaldatum was op 15 maart. Betaling moest gebeuren in “klinkende gouden of zilveren speciën in ’s lands kantooren gangbaar geld[7]. De huurder moest alle huidige en toekomstige belastingen betalen.

Een openbare verhuur verliep als volgt: na het oproepen van het lot, het inzetten en het opbieden, volgde de voorlopige toewijzing. Daarna werd een kaars ontstoken en zolang deze brandde, kon het bod opnieuw verhoogd worden. Pas dan volgde de definitieve toewijzing.

                  Het eerste lot (vrije vertaling vanuit het Frans[8])

Een huisje bestaand uit zolder, kelder en een klein kamertje daarboven, een waterput in gemeenschap met de twee volgende huisjes, en 2 roeden (of 66m²) hof daarachter gelegen, hetwelk is ingezet geworden voor de som van 27 francs 20 ct. of 15 Brabantse gulden[9]. Na verscheidene oproepingen werd dit lot gebracht op 30 fr. 84 ct. of 17 Br. gulden en voorlopig toegewezen aan J.J. Van Hencxthoven, advocaat te Antwerpen. De kaars werd ontstoken en brandde op zonder hoger bod, aldus werd het pand definitief aan hem toegewezen.[10]

  Het tweede lot

Een huisje met dezelfde indeling als het vorige lot met ongeveer 15 roeden land en hof (± 495 m²) werd voorlopig toegewezen aan J.B. Peeters, kleermaker te Borsbeek, voor 45 fr. 35 ct. of 25 Br. gulden. De kaars werd ontstoken en brandde op zonder hoger bod, aldus werd het pand definitief aan hem toegewezen.

Het derde lot

Een huisje met dezelfde indeling als vorige loten met een klein bijgebouw, een tuin van 1,5 roeden (of 49m²), werd toegewezen aan Jeanne Van den Audenaerde, naaister te Borsbeek voor 25 fr. 40 ct. of 14 gulden.

De twee laatstgenoemden waren in 1795 reeds huurders. Tot 1805 en waarschijnlijk zelfs tot in 1810, bleven de huurprijzen hetzelfde.

We kennen nu de oppervlakte van de hof van elk huis en het is duidelijk dat deze het verschil in huurprijs bepaalde. In de ‘Atlas des communications vicinales de la commune de Borsbeek’ uit 1845 werden de percelen voor het eerst in kaart gebracht.

Hieronder een afdruk van de onmiddellijke omgeving van de huisjes.

001

Op de kaart kunnen we aan de hand van de afmetingen zien dat perceel 23 en 25 het tweede lot is. Perceel 22 is het eerste lot en perceel 24 het derde.

De eerstvolgende verhuring die we konden ontdekken was op 27 februari 1827 en die vond plaats in de herberg “De Roozenboom”, bij Jacobus Moons. Uitvoerende notaris was Fr. J. Gellynck te Antwerpen[11].

Eerste lot (2de huisje)

Een woning met bijgebouw, gemene bornput en circa 4 roeden en 93 ellen[12], gelegen te Borsbeek wijk 1 n° 37, na het uitdoven van de kaars toegewezen aan Adriaen Corluy, landbouwer te Borsbeek, voor 14 Nederlandse gulden.

Tweede lot (1ste huisje)

Een woning met hof en gemene bornput gelegen te Borsbeek wijk 1 n° 38, hof ongeveer 66,5 el groot. Het werd toegewezen aan J.B. Laenen, schoenmaker te Borsbeek die verklaart gehuurd te hebben voor zijn vader, J.B. Laenen, veldwachter te Borsbeek voor 11 Nederlandse gulden.

Derde lot (3de huisje)

Een woning met hof en gemene bornput gelegen te Borsbeek wijk 1 n° 36, hof ongeveer 49 el groot. Toegewezen aan Adriaen Corluy voor 10 Ned. gulden.

(Adriaen Corluy was in 1827 armmeester. Hij huurde voor de armlastige families D. Hellemans en T. Braeckmans).

Daarna volde de eerste verhuring onder Belgisch bestuur, die plaats had op 10 januari 1834 door dezelfde notaris in de herberg “De Valk” bij J.B. De Vos[13].

Eerste lot

De woning gelegen 1ste wijk, n° 38, werd volgens de gewone procedure toegewezen aan J.B. Laenen, veldwachter der gemeente, voor 24 frank.

Tweede lot

Een woning gelegen 1ste wijk n° 37, werd toegewezen aan Adriaen Corluy voor 30 frank.

  Derde lot

Een woning gelegen 1ste wijk n° 36, werd toegewezen aan Adriaen Corluy voor 22 frank.

Het tweede en derde lot waren bestemd voor de steuntrekkende weduwe Peeters, en voor D. Hellemans en M. Sebrechts. Voor deze laatste was in 1832 een annex aangebouwd met het nummer 36bis[14].

De volgende verhuring was op 8 januari 1840 in het bijzijn van notaris C.J. Theunissens uit Antwerpen in de herberg van Jacobus Moons. Moons was “paardenmeester”, ofwel veearts en afwisselend lid van het gemeente- of armbestuur, wat ook bij vele van zijn voorgangers het geval was. Het corpus der gemeente bestond immers uit enkele welstellende landbouwers en gegoede winkeliers of ambachtslieden.

De eerste woning bleef in handen van J.B. Laenen voor 25 fr. Het tweede en derde huisje werd toegewezen aan de armmeester Corneel Van Tichelen voor 30 en 23 fr.[15] en waren bestemd voor D. Hellemans en M. Sebrechts.

De allerlaatste notariële verhuring gebeurde op 26 februari 1846 door Notaris J.B.C. Van Zanden in de herberg “De Valk” bij J.B. Verbist. J.B. Laenen bleef huurder van het eerste pand, maar moest nu 35 fr. betalen. Waren er meer gegadigden of was de huur der voorgaande jaren ver beneden de waarde gebleven? De andere twee werden ingehuurd door C. Van Tichelen voor 30 en 25 fr.[16] Ze waren net zoals in 1840 voor armlastigen bestemd. Het is duidelijk dat de armmeesters handelden met goedkeuring van het armbestuur; zij dienden immers die huurprijs en onkosten aan de notaris te betalen en de rekeningen na goedkeuring door het bestuur aan de ontvanger door te rekenen.

De rekening van het armbestuur uit 1841 vermeldt een bedrag van 262 fr. 32 ct. betaald door Van Tichelen aan huiseigenaars voor de huur van armlastige families.[17]

De laatste huurtermijn eindigde op 15-3-1852. In de volgende jaren werden de huisjes niet meer officieel verhuurd, maar toegewezen aan behoeftige burgers of uit de hand verhuurd zoals voor het jaar 1810. De rekeningen die we konden inzien vermelden alleen het bedrag dat jaarlijks aan huishuur betaald werd, zonder de naam van de huurders of eigenaars van de huizen te vernoemen.

Frans Verbist

————————————————————————————————————————

[1] Prims, Floris. Borsbeek in de Vaderlandse Geschiedenis. Gemeente Borsbeek, 1954. p. 54.

[2] R.A.A. Kerkelijk Archief Borsbeek, nr. 138.

[3] Prims. o.c., p.60.

[4] R.A.A. Oud Archief (O.A.) Borbseek, nr. 25.

[5] R.A.A. O.A.Borsbeek, nr. 61.

[6] Roede is een oude oppervlaktemaat, 1 roede is ongeveer 33 m2

[7] R.A.A. Hedendaags Archief Borsbeek. Nr. 132

[8] Idem

[9] De Brabantse gulden bleef in de Franse periode een wettig betaalmiddel. Deze munt was oorspronkelijk gelijk gesteld aan de Franse franc, maar deze devalueerde zeer snel.

[10] Jean-Joseph Van Hencxthoven was de eerste secretaris van het Bureel van Weldadigheid te Borsbeek. Uit de rekening die hij op 13 december 1810 ter terugbetaling der huursom en onkosten aan de ontvanger aanbood, bleek dat hij gehuurd had voor Domien Hellemans, de eerste veldwachter van Borsbeek.

[11] Originele akte: OCMW-Borsbeek.

[12] In de Nederlandse periode (1815-1830) gebruikte men het tiendelig stelsel der oppervlaktematen, maar de oude benaming bleef in voege: bijv. bunder, roede, el of elle worden in de nieuwe benaming respectievelijk hectare, are en vierkante meter.

[13] Zie voetnoot 11.

[14] Bevolkingsregister 1830-1840, gemeentehuis Borsbeek

[15] Zie voetnoot 11

[16] Zie voetnoot 11

[17] DocC Borsbeek, . 000SN251 (Fotokopie van rekeningen armbestuur 1841-1909).

 

 

Facebook Twitter Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *