shadow

Pastoor Moons

 

Naast Franciscus Schottus, over wie we het in een vorige bijdrage hadden, was er in Borsbeek nog een pastoor met literaire ambities, die een – heel bescheiden! – plaatsje kreeg in de Vlaamse literatuurgeschiedenis: Jacobus Moons.

Hij werd geboren in Antwerpen in 1639. Na zijn Latijnse school trad hij in bij de Norbertijnen van de Sint-Michielsabdij te Antwerpen, en werd priester gewijd in 1666. Eerst was hij onderpastoor in Merksplas en in Beerse, en in 1683 werd hij pastoor van Borsbeek. (Een functie die hij zou uitoefenen tot 1688 toen hij ontslag nam). Hij overleed in de Sint-Michielsabdij in 1721.

Naast parochiepriester was hij een vruchtbaar rijmdichter die in totaal 7 bundels fabels en “zedelijke aansporingen” publiceerde:

Sedelyck Vermaeck-Tonneel (1675)
Sedelycke Lust-Warande (1678)
Sedelycken Vreugden-Bergh (1682)
Sedelyck Vreugde-Perck (1685)
Sedelycken Vermaeck-Spiegel (1689)
Sedelyck Vermaeck-Veld (1701)
Sedelycken Vermaeck-Troost (1702)

Maar omdat korte titels in die jaren blijkbaar niet fatsoenlijk waren, kwam achter elke bovenvermelde titel een omstandiger omschrijving: “vertoonende door zinne-belden den leersaemen handel van de onredelyke dieren aen de verkeerde en beest-aerdige wereld, opgeregt van verscheyde soo Grieksche als Latynsche schryvers, verçiert met aerdige printen, vermaekelyke Poësie en Sedelyke Leeringen”..

 

moons1

 

Heel bescheiden noemt Moons zijn poëzie dus “vermakelijk”. En in de inleiding tot een van zijn werken zegt hij zelf dat zijn poëzie niet erg kunstzinnig is en dat zijn rijmdichten niet kunnen tippen aan die van zijn grote voorbeeld “de noyt volprezen en soet-vloeyenden Poëet den Eerweerdigen Pater Adrianus Poirters S.J “. Deze Jezuïet, die leefde van 1605 tot 1674, was een van zijn grote inspiratiebronnen; hij was dé dichter van de contrareformatie, en werd vooral bekend door zijn emblematische poëzie (praatjes bij plaatjes om het oneerbiedig te zeggen).

Maar alhoewel Moons nergens in zijn teksten verwijst naar de Franse fabeldichter Jean de la Fontaine, was diens invloed nog groter. Deze Fransman had enkele jaren voordien (1668) zijn eerste reeks fabels gepubliceerd. Het is duidelijk dat Moons die fabels had gelezen, maar hij vond het wellicht niet zo’n goed idee naar hem te verwijzen, omdat de la Fontaine in die jaren bekend stond als libertijn en nogal wat antiklerikale teksten had geschreven.

Fabels zijn een heel oud literair genre: de oudste sporen ervan vindt men in Indië en in het Tweestromenland. Bekendst zijn evenwel de fabels die de Griek Aisopos naliet en die al de volgende fabeldichters inspireerden. Fabels werden geschreven met pedagogische bedoelingen. Niet voor niets zag Aristoteles er het geschikte hulpmiddel in om een argumentatie kracht bij te zetten. Meestal waren ze moraliserend: bij Aisopos en Jean de la Fontaine zat er vaak sociale kritiek in en diende de zedenles om het samenleven met anderen draaglijk te houden. Bij Moons evenwel overheerst een andere dimensie: die van de toen heersende katholieke moraal. Hij gebruikt zijn fabels om de mensen braaf te houden, en “braaf” betekende toen slaafs gehoorzaam aan de geestelijke overheid, de zogenaamde “herders”: “toont dat gy een goed schaep syt”. Niet persoonlijk geluk of menselijk samenleven zijn voor hem het belangrijkst, maar wel het eigen zielenheil. Dat naar de verdoemenis kan door de zonde. En wie zondigt die zal het geweten hebben! Want de zonde wreekt zich niet alleen in het “hiernamaals”, maar de rekening ervan krijg je tijdens je leven al gepresenteerd. “Sonden moet men dier betaelen” en ze worden bestraft “met siekte, met armoede, met schaede, met schande, en andere plaegen” .

Oorzaak van de zonde is gebrek aan volgzaamheid. Altijd weer komt de raad ons “braaf” te gedragen, gehoorzaam te zijn en vooral niet vrij en zelfstandig te denken, want

             “de liberteyt maekt u niet vry

               Maer leyt u weg naer slaverny”.

Veel heilzamer voor de ziel dan de “liberteyt” is de angst:

Leert hier in angst syn en in pyn

Want overal vyanden syn.

Gy altyd leven moet in vrees

Voor duyvel, werelt en het vleesch.”

En regelmatig wijst hij de lezer erop dat hij het lijden verduldig moet verdragen, want het zal wel het gevolg zijn van zonden! Eigen schuld, dikke bult! “Ik geef my alleen de schult, dat ik word met pyn vervult”. Moons gebruikte de fabel ongegeneerd om ….fabeltjes te vertellen!

Al zijn werken zijn op hetzelfde stramien gebouwd: eerst het berijmde “Zinne-Beld”, de fabel zelf. Daarna een – dikwijls pagina’s lange – “Zedelijke Leering” waarin hij de lezer (die hij aanspreekt met “cosmophile [wereldminnende] ziel” een reeks “goede raad” geeft die min of meer in verband staat met de fabel; het geheel wordt dan afgesloten met een “Bij-hangsel” (bijlage) waarin de vrome “leering”’ nog wat wordt uitgesponnen. En waarin telkens opnieuw gehamerd wordt op de zonde en op de vreselijke gevolgen die ze al in dit leven met zich brengt. Alle zonden komen aan bod, maar de grootste van alle is voor hem toch die van de “onkuysheyd”; over die zonde kan hij niet zwijgen, en ze komt om de paar bladzijden telkens weer aan bod. Want, we zagen het al, “het vleesch” is de bron van alle kwaad. Onkuysheyd is voor hem “de vuyle lust en quaden dorst naer het hitsig put-water van de vleeschelyke lusten”, of de “heete pest”, en de zondaar “een vuyl stinkende Pest huys”. Al geloof ik dat hij qua geur verwart met de échte stank die er toen overal, – ook in de kloosters! – heerste en die te wijten was aan het gebrek aan lichaamszorg. In Moons’ opinie een terechte verwaarlozing want: “lichaem mag men niet schoon maecken om niet de siel vuyl te maecken”…

Moons’ verzen vindt men soms wel eens terug in verzamelingen “gedichten over eten en drinken”. Want ook daaraan wijdt hij soms zijn “leringen” Maar zie hem daarom toch maar niet als een Bourgondiër, want hij fulmineert bijna even sterk tegen gulzigheid en dronkenschap.Dat hij zich daarover zo druk maakt ligt aan het feit dat hij ook daar hij een duidelijk verband ziet met de onkuisheid: “van pinten geraekt men tot stoopen en zo tot schandaleuze dronkenschap; van eerlyke conversatien komt men tot vrindelyke discoursen en soo ten leste tot onkuyse werken”.

Maar vanzelfsprekend had hij niet helemaal ongelijk als hij opriep tot matigheid:

Gy en sult dan oock met eenen vollen buyk u gesontheyd niet krenken, is ’t dat gy op Gods tegenwoordigheyd wilt denken::gy sult maetig en staetig syn: wilt gy dan gesont naer lichaem en siel en niet voor uwen tyd begraven syn, bind met den gordel van Gods tegenwoordigheyd uwen gulsigen buyk vast toe. Ik seg: Als den buyk is vol en rond, lyf en siel word ongesond.”

Het is duidelijk dat onze pastoor Moons een product van zijn tijd is. En dus botsen we regelmatig op voor ons irriterende uitspraken. Helemaal doordrongen van de katholieke afkeer van de Joden als “moordenaars van Christus” heeft hij het zonder verpinken over “Joods gespuis”. En ook volledig in de lijn van het toenmalige katholieke denken is zijn verdediging van de Spaanse overheersers hier. Zij waren toch “de verdedigers van het ware geloof”. En dus klinkt het in zijn leringen: “Spaensche regeringh is een soetaerdighe en sachtmoedighe regeringh”. Filips II? Alva? Hun misdaden zijn voor hem in naam van het geloof al lang vergeten en vergeven!

 

moons2

 

Moons was als dichter beslist geen hoogvlieger. Maar helemaal vergeten zijn z’n rijmen toch ook weer niet. Want in  zijn bloemlezing “De Nederlandse Poëzie van de zeventiende en achttiende eeuw in duizend en enige gedichten” gunt de nochtans erg kritische Gerrit Komrij een plaatsje aan een vers van Moons.

PJ

———————————————————————————————————————————–

Bronnen:

Knuvelder, G.: Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse Letterkunde, deel 2. Den Bosch, Malmberg, 1964.

Prims, F.: Geschiedenis van Borsbeek, Borsbeek, Gemeentebestuur, 1954.

Google – Books: diverse werken van Moons.

Facebook Twitter Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *