shadow

Franciscus Schottus, Pastoor van Borsbeek

Onze Sint-Jacobskerk heeft in de loop der eeuwen enkele pastoors als bedienaar gehad die een speciale vermelding verdienen. Eén van hen is pastoor Schotte.

Hij werd geboren te Antwerpen in 1579. De familie Schot, of Schotte (gelatiniseerd zoals het in die jaren de mode was tot Schottus) was een vooraanstaande Antwerpse familie die enkele befaamde humanisten voortgebracht heeft. Een oom van hem was de geleerde Jezuiet, Andreas Schottus, filosoof en professor aan diverse universiteiten; een andere oom, zijn naamgenoot Franciscus Schottus was rechtsgeleerde, in 1619 binnenburgemeester van Antwerpen, en auteur van veel gelezen en vaak vertaalde reisbeschrijvingen.

Ook “onze” Franciscus Schottus kreeg, na zijn middelbare studies bij de Jezuïeten, de reismicrobe te pakken want hij bezocht Rome en reisde, zoals zijn oom, door Italië.

Na die reis trad hij in het klooster bij de Norbertijnen van de St. Michielsabdij in Antwerpen, die vanaf begin 14e eeuw de pastoors van Borsbeek leverden. En zo werd ook hij in 1611 als pastoor van ons dorp aangesteld, een functie die hij tot 1613 zou uitoefenen, jaar waarin hij zich terugtrok in Nederokkerzeel, waar de Sint-Michielsabdij een groot domein had. Daar overleed hij in 1617, 38 jaar oud.

Tijdens zijn priesteropleiding schreef hij zijn beroemd geworden “Thesaurus exemplorum sententiarumque ad bene beateque vivendum ex optimis quibusque auctoribus cum Graecis tum Latinis collectus, et in centuria 4. distinctus”, (een bloemlezing van voorbeelden en citaten om goed en zalig te leven, verzameld uit de beste Griekse zowel als Latijnse schrijvers, onderverdeeld in vier reeksen van 100). Ook bladvullende titels waren toen in de mode! Het Latijnse origineel verscheen in Antwerpen in 1607, maar in 1605 was er al een Franse vertaling verschenen in Doaui. Die stad behoorde toen nog niet tot Frankrijk, was nog Vlaams bezit – al werd er Frans gesproken! – , en er was een universiteit die als bolwerk gold van de contrareformatie. De vroege publicatie aldaar zal wellicht te danken zijn aan oom Andreas die aan deze universiteit had gedoceerd.

Het is in de eerste plaats een moraliserend boek; verhalen en citaten van de klassieke auteurs moeten leren waartoe goed of slecht gedrag kan leiden.

Het was duidelijk ook bestemd voor gebruik in de Latijnse scholen, want heel wat voorbeelden en citaten zijn erop gericht de leerlingen tot “homines pii et eloquentes” (vrome en welsprekende mensen) te vormen, dat wil zeggen mensen die de idealen van het humanisme en van de contrareformatie zouden verspreiden. En dat was helemaal in de geest van de ‘ratio studiorum”, het pedagogisch leerplan dat in 1599 door de Jezuïeten was opgesteld, en dat hij mogelijk al kende via zijn oom Andreas, de Jezuïet.

Het boek is dan ook rijk aan heel wat goede raad voor de leerlingen: geen “otis”, ledigheid, kan geduld worden, want dat is zoals ieder weet het oorkussen van de duivel. En de jeugd moet aan het werk gehouden worden met studie en goede lectuur: “in juventute laborandum est” ! Dat “deugd” als het opperste goed wordt gepresenteerd, zal niemand verbazen. En op het pad der deugd is het makkelijk uitglijden. Want, leert onze vrome auteur in een logisch niet al te samenhangend kwartet::

super his quattor via lubrica:

Super glacie
Super loco humido & fimo
Super gloria & ambitione
Super forma muliebri
”.

(deze vier maken de wegen glad: ijs, een natte plek en modder, roem en ambitie, de vrouwelijke vormen).

schottus

 

En vanzelfsprekend moest de waarde van de katholieke kerk als bezitster en hoedster van de éne waarheid in het licht gezet worden. Dus ook weer helemaal in de geest van de contrareformatie die toen nog hoogtij vierde. “Onze heilige katholieke kerk laat geen ketters toe, want haar geloof is één, net zoals haar leer”. Luther, Calvijn, plaatselijke kettertjes: één pot nat, allemaal kompanen van de duivel!

Maar de boog kan niet altijd gespannen staan, en lezer en leerling moeten af en toe wat lichtere kost toegediend krijgen. En dus voegde hij er terloops ook wat “wereldse” wijsheid aan toe, bijvoorbeeld als hij het heeft over de “nationum proprietates”, de eigenschappen der volkeren. De Duitsers worden opgevoerd als “bellatores, simplices, benefici” (krijgshaftig, ongecompliceerd, weldadig), de Britten als “laboriosi” (werkzaam). En dat hij onze natio belgica deugden toebedeelt als “equestris, delicata, tenera” (ruiterlijk, verfijnd, teer) zal wel niks met chauvinisme te maken hebben? Hoe dan ook, zijn beoordeling van het Griekse volk zou ook vandaag nog kunnen gelden: “Graeca natio, qualis nunc est, misera » (Het Griekse volk, zoals het thans is, beklagenswaardig). Maar, hoe sierlijk zijn Latijn ook, als hij het heeft over de “qualitates animalium quadripedium”, de kwaliteiten die viervoeters hebben, worden z’n commentaren gewoon dood-doeners: de hond is schrander, de wolf verraderlijk, het paard trots, en het hert heeft een mooi gewei …

In elk geval is het een opmerkelijk boek voor een jongeman van ca 25 jaar, een werk dat getuigt van een ontzettende belezenheid…Verwonderlijk eigenlijk dat iemand met dergelijke intellectuele bagage een post als Borsbeek toebedeeld kreeg: een dorpje van zo’n 200 mensen die allemaal hun Pasen hielden, waar geen “ketters” woonden, waar de kerk half verwoest was, waar de pastoor gehuisvest moest worden in een “huis van den arme”. Er was in die tijden blijkbaar een overdaad aan priesters, en dus kon met talent gemorst worden…

PJ

______________________________________________________________________________

Bronnen:

Prims, F.: Geschiedenis van Borsbeek.(1946), p.57

Schottus, F. Thesaurus exemplorum etc… in : www.books.google.be

Van der Aa, A.J.: Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 17, eerste stuk. (1874), in: www.dnbl.org/tekst/aa

Facebook Twitter Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *